Pensioenhervorming bedreiging voor universiteiten / Réforme des pensions: Unifs en péril

0 a signé. Allez jusqu'à 10 000 !


Pensioenhervorming bedreiging voor universiteiten / Réforme des pensions: attention aux universités
 

NLD: Door de voorwaarden voor toegang tot het pensioen te verscherpen, brengt het hervormingsproject de aantrekkelijkheid van academische loopbanen en de kwaliteit van het hoger onderwijs in België in gevaar.
 
F : En durcissant les conditions d’accès à la pension, le projet du gouvernement met en péril l’attractivité des carrières académiques et la qualité de l’enseignement supérieur en Belgique.
 
EN: By tightening the conditions for access to the pension, the government’s reform project jeopardizes the attractiveness of academic careers hence the quality of higher education in Belgium

Le texte en français suit le texte en néerlandais / English version below the French version.

 

Het voorstel van pensioenhervorming is niet duurzaam voor de Belgische universiteiten

Hoewel zij zich terdege bewust zijn van de uitdagingen die de vergrijzing met zich meebrengt voor de duurzaamheid van de pensioenstelsels, willen de ondertekenaars van deze tekst de beleidsmakers waarschuwen voor de negatieve effecten van het voorontwerp van pensioenhervorming, als de hervorming onveranderd  wordt doorgevoerd, op de Belgische universiteiten en op het Belgische hoger onderwijs en het onderzoek in het algemeen,. De voorgestelde hervorming zal met name overwegend jonge en toekomstige onderzoekers treffen en het vermogen van ons land om hen aan te trekken verminderen.

Dit voorontwerp schrapt de specifieke berekeningswijze van de pensioenen die van toepassing is op specifieke beroepsgroepen in de publieke sector. In het huidige systeem kunnen deze beroepsgroepen met hun bijdragejaren sneller pensioenrechten opbouwen dan andere beroepen vanwege de specificiteit van hun loopbaan. De belangrijkste maatregel van de hervorming is de standaardisering van de berekeningswijze van de pensioenen. Het zal daardoor voor deze beroepsgroepen langer duren om hun volledige pensioenrechten te verkrijgen, wat hen een volledig pensioen kan ontnemen.

Het wegvallen van dit specifieke recht zou gedeeltelijk worden gecompenseerd door de definiëring van 'zware beroepen' waarvoor een vervroegde pensionering en / of het verlenen van bepaalde rechten bij de berekening van het pensioen mogelijk zouden worden. Universiteitsprofessoren vallen niet onder de criteria voor zware beroepen die door de sociale partners werden weerhouden en doen ook geen beroep op dit statuut. De hervorming zou daarom op volle kracht op hen van toepassing zijn, net zoals bijvoorbeeld op magistraten.

De pensioenregeling voor universiteitsprofessoren heeft echter in 2011 al een zeer belangrijke hervorming ondergaan, waartegen ze zich niet collectief hebben verzet om zo hun deel van de  gemeenschappelijke inspanning te dragen. Maar het cumulatieve effect van de hervorming van 2011 en de huidige ontwerphervorming zal voor hen veel grotere gevolgen hebben dan voor gelijk welke andere beroepsklasse in de publieke sector, en met name dan voor jonge academici. Afgezien van het feit dat dit niet eerlijk lijkt, benadeelt het voorontwerp van hervorming ook de universiteiten, en zo de gemeenschap in het algemeen.

Een hervorming die de methode voor de berekening van pensioenuitkeringen standaardiseert, mag dan in beginsel rechtvaardig lijken, maar negeert tevens de specificiteit van een academische loopbaan die dikwijls slechts begint op een leeftijd van 35/40 jaar, na een periode van precaire contracten. Deze late toegang tot de loopbaan rechtvaardigt de huidige pensioenregeling voor professoren. Om te beginnen vraagt het een decennium van hoger onderwijs om een doctoraat te behalen, de titel die noodzakelijk is om toegang te krijgen tot een academische positie.

Maar een doctoraat is slechts de eerste stap. Alvorens een jonge onderzoeker aan te werven, eisen universiteiten een groeiend aantal jaren postdoctorale onderzoekservaring, zo mogelijk in het buitenland, meestal op basis van fragiele contracten en regelmatig zonder pensioenbijdragen. De doctoraatsperiode wordt daarom gevolgd door een lange reeks van voortgezette bijscholingen, waarna slechts een paar uitverkorenen er in slagen toegang krijgen tot een definitieve positie, soms pas wanneer ze de veertig al naderen en na een steeds selectievere proefperiode. 

In het systeem van vóór 2011 maakte een benoeming op deze leeftijd het heel goed mogelijk om een volledig hoogleraarspensioen te krijgen, met de pensioengerechtigde leeftijd vastgelegd op 65 jaar (in vergelijking met 67 vanaf 2030). Met het plan dat sinds 2011 van kracht is, kan een benoeming tot professor op 29 jarige leeftijd vereist zijn om een volledige loopbaan te bereiken. Het voorontwerp van hervorming zal het bereiken van een volledige loopbaan op haar beurt helemaal onmogelijk maken omdat men hiervoor benoemd zou moeten worden op een leeftijd van 22 jaar (abstractie makend van de mogelijkheid om een beperkt aantal studiejaren af te kopen, wat nog steeds niet automatisch in rekening wordt gebracht).

In een kennismaatschappij hangt de welvaart van een land als België in hoge mate af van haar menselijk kapitaal. Ons land kan de technologische en maatschappelijke uitdagingen alleen aanpakken als haar universiteiten hun onderzoeks- en onderwijspotentieel kunnen behouden. Hierin hebben universiteiten een belangrijke maatschappelijke missie, of het nu gaat om de opleiding van jongeren, de ontwikkeling van innovaties of de dienstverlening aan de samenleving. Ze moeten daartoe de beste docenten en onderzoekers weten aan te trekken en te behouden. In het licht van de structurele onderfinanciering van het hoger onderwijs (en met name de universiteit) en het onderzoek in België, is het duidelijk dat het bereiken van deze doelstellingen een uitdaging is.

De aantrekkelijkheid van de voorwaarden voor academici aan Vlaamse en Franstalige universiteiten is echter al op verschillende niveaus verslechterd. De kwaliteit van de onderzoeks- en onderwijsvoorwaarden (toename van studentenaantallen zonder adequate budgettaire compensatie, toenemende administratieve complexiteit gekoppeld aan de individualisering van studentenpaden) is er op achteruit gegaan.

Tegelijkertijd worden academici blootgesteld aan een sterkere internationale concurrentie dan gelijk welk ander beroepsgroep in de publieke sector. We denken hierbij bijvoorbeeld aan de concurrentie tussen universiteiten (ranglijsten, certificeringen, audits, enz.), onderzoekconcurrentie (voor Europese fondsen, voor octrooien, voor de beste onderzoekers en voor beurzen) of onderwijsconcurrentie (in de werving van studenten, in pedagogische innovaties, enz.) om maar de meest voor de hand liggende op te noemen.

De salarissen en financiering die België zijn wetenschappers aanbiedt, liggen duidelijk onder die van heel wat andere landen, inclusief die van al onze buren, om nog maar te zwijgen van de Verenigde Staten of Zwitserland. Daarenboven is er in sommige vakgebieden, naast de concurrentie van buitenlandse universiteiten, ook nog concurrentie van de particuliere sector. In de farmaceutische, technische of medische sector bijvoorbeeld ligt het loon in de privésector regelmatig 30 tot 50 procent hoger voor werkomgevingen die onderhevig zijn aan even veel concurrentiële druk en die duidelijk beschikken over meer werkingsmiddelen dan de universiteit.

Hoe kunnen we jonge onderzoekers nog motiveren om te kiezen voor een wetenschappelijke carrière als hun talenten aanzienlijk beter worden gewaardeerd aan een buitenlandse universiteit of buiten de academische wereld? En hoe zit het met de Belgische toponderzoekers die we terug naar de Belgische universiteiten willen lokken en de buitenlandse breinen die we willen aantrekken. Het is een veilige gok om aan te nemen dat ze zullen blijven waar ze nu zijn. In haar huidige vorm zal het voorontwerp van pensioenhervorming de Belgische universiteiten als geheel verzwakken omdat het de aantrekkelijkheid van academische loopbanen verder zal aantasten en zo de werving van goede professoren zal ondermijnen.

We uiten daarom onze diepe bezorgdheid over de duurzaamheid van dit pensioenhervormingsproject voor de Belgische universiteiten en nodigen de beleidsmakers uit om hier rekening mee te houden als ze de kwaliteit van onze universiteiten willen behouden.

 
Le projet de réforme des pensions n’est pas soutenable pour les universités belges

S’ils sont bien conscients des défis que posent le vieillissement démographique et la soutenabilité des systèmes de retraites, les signataires du présent texte souhaitent alerter les décideurs publics des impacts négatifs qu’aura, s’il est adopté tel quel, l’avant-projet de réforme des pensions du secteur public pour les universités belges et plus largement pour l’enseignement supérieur et la recherche en Belgique. En particulier, le projet affectera massivement les plus jeunes et les futur.e.s chercheu.r.euse.s et réduira la capacité du pays à les attirer.

Cet avant-projet abroge le mode spécifique de calcul des pensions applicable à certaines fonctions du secteur public. Dans le système actuel, les années de cotisation de ces fonctions permettent d’accumuler plus rapidement des droits à la pension en raison de la spécificité de leurs carrières. La mesure principale de la réforme est d’uniformiser le mode de calcul des pensions. Il faudrait donc plus longtemps à ces professions pour obtenir leurs droits à la pension, ce qui les privera d’une pension à taux plein.

La suppression de cette spécificité serait en partie compensée par une approche en termes de « métiers pénibles » qui permettrait un départ à la retraite plus précoce et/ou l’octroi de certains droits dans le calcul de la pension. Les professeurs d’université ne sont pas concernés par les critères de pénibilité retenus par les partenaires sociaux et ils ne le revendiquent pas. La réforme s’appliquerait donc de plein fouet à eux, comme aux magistrats, par exemple.

 Pourtant, le régime des retraites des professeurs d’université a déjà subi en 2011 une réforme très importante à laquelle ils ne se sont pas collectivement opposés afin de prendre leur part à l’effort commun. Mais, l’effet cumulé de la réforme de 2011 et de l’avant-projet de réforme actuel sera nettement plus lourd de conséquences pour eux que pour toutes les autres professions du secteur public, en particulier pour les jeunes académiques. Outre que ceci ne semble pas équitable, l’avant-projet s’avère pénalisant pour les universités et, plus largement, pour la collectivité.

 Une réforme qui uniformise le mode de calcul des retraites de la fonction publique peut sembler juste a priori. Elle fait toutefois fi des particularités d’une carrière académique qui peut ne commencer qu’aux alentours de 35/40 ans, après une période de contrats précaires. Cette entrée tardive dans la carrière est d’ailleurs ce qui justifie le régime des pensions actuel des professeurs d’université. En effet, il faut engranger une dizaine d’années d’études supérieures pour décrocher un doctorat, titre requis pour un poste académique.

Mais, ceci n’est qu’une première étape. Avant de recruter un.e jeune chercheur.se, les universités exigent un nombre croissant de contrats postdoctoraux de recherche, si possible à l’étranger, typiquement fragiles et régulièrement sans cotisation de retraite. La période de doctorat est donc suivie d’une séquence de formations complémentaires de plus en plus longue à l’issue de laquelle seul.e.s quelques élu.e.s pourront accéder à un poste définitif, parfois seulement à l’approche de la quarantaine et après une période d’essai de plus en plus sélective.

 Dans le système antérieur à 2011, une nomination à cet âge rendait tout-à-fait possible l’obtention d’une pension complète de professeur d’université alors que l’âge de départ à la retraite était fixé à 65 ans (contre 67 à partir de 2030). Avec le régime en vigueur depuis 2011, une nomination à 29 ans peut être nécessaire pour réaliser une carrière complète. L’avant-projet de réforme, quant à lui, rendra la chose impossible puisqu’il faudrait, pour cela, avoir été nommé à 22 ans (abstraction faite de la possibilité de racheter un nombre limité de ses années d’études qui étaient il y a encore peu comptabilisées automatiquement).

Dans une société fondée sur la connaissance, la prospérité d’un pays comme la Belgique repose crucialement sur son capital humain. Notre pays ne pourra relever les défis technologiques et sociétaux qui se présentent à lui que si ses universités maintiennent leur potentiel de recherche et d’enseignement. En cela, les universités ont une mission sociétale majeure, que ce soit dans la formation des jeunes, dans le développement des innovations ou dans le service à la société. Elles doivent par conséquent attirer et stabiliser les meilleur.e.s enseignant.e.s et chercheur.se.s. Quand on sait le sous-financement structurel dont souffrent l’enseignement supérieur (singulièrement universitaire) et la recherche en Belgique, on réalise qu’atteindre ces objectifs est une gageure.

Or, l’attractivité des conditions offertes aux académiques dans les universités, tant flamandes que francophones, s’est déjà dégradée sur plusieurs plans. La qualité des conditions de recherche et d’enseignement (accroissement des effectifs étudiants sans compensation budgétaire, complexification administrative liée à l’individualisation des parcours étudiants) s’est détériorée.

Dans le même temps, les académiques sont exposés à une concurrence internationale plus forte que n’importe quel autre métier du secteur public. On songe pêle-mêle à la concurrence entre universités (rankings, certifications, audit, etc.), à la concurrence en recherche (pour les fonds européens, les brevets, les meilleurs chercheurs, et les bourses), ou encore à la concurrence en enseignement (recrutement des étudiant.e.s, innovations pédagogiques, etc.), et nous ne citons ici que les plus évidentes.

Pour autant, les salaires et les financements que la Belgique propose à ses scientifiques sont notoirement inférieurs à ceux offerts par bon nombre de pays étrangers, dont tous ses voisins, sans même parler des Etats-Unis ou de la Suisse. Dans certains domaines, la concurrence du secteur privé s’ajoute à celle des universités étrangères. On songe, par exemple, aux secteurs de la pharmacie, de l’ingénierie ou de la médecine, où les rémunérations sont régulièrement 30 à 50 pour-cent plus élevées dans le privé, pour des contextes de travail équivalemment concurrentiels et dotés de moyens plus importants.

Comment motiver les jeunes chercheur.se.s à s’engager dans une carrière scientifique si leurs talents leur permettent d’être considérablement mieux valorisés dans une université étrangère ou en dehors du monde académique ? Et que dire des cerveaux que les universités belges souhaitent faire revenir ou venir de l’étranger ? Il y a fort à parier que ceux-ci resteront où ils sont. En l’état, l’avant-projet de réforme des pensions fragilisera les universités belges dans leur ensemble parce qu’il détériorera un peu plus encore l’attractivité des carrières académiques et nuira ainsi à la qualité du recrutement des professeurs.

Nous exprimons donc nos plus vives inquiétudes quant à la soutenabilité de ce projet de réforme pour les universités belges et invitons les décideurs publics à en tenir compte s’ils tiennent au maintien de la qualité de nos universités.

 

The pension reform project is not sustainable for Belgian universities
 

While they are well aware of the challenges posed by demographic aging and the sustainability of pension systems, the signatories of this text wish to alert public decision-makers of the negative impacts of the public sector pension reform project for Belgian universities and more broadly for higher education and research in Belgium, if it is adopted. In particular, the project will overwhelmingly affect younger and future researchers and reduce the country's ability to attract them.

This project repeals the specific method of calculating pensions applicable to certain functions of the public sector. In the current system, the years of contribution of these functions make it possible to more quickly accumulate pension rights because of the specificities of their careers. The main measure of the reform is to standardize the method of calculating pensions. It would therefore take longer for these professions to obtain their pension rights, which will deprive them of a full-rate pension.

The removal of this specificity would be partly offset by an approach in terms of "hard jobs" that would allow earlier retirement and / or the granting of certain rights in the calculation of the pension. University professors are not concerned by the criteria of hardship retained by the social partners and they do not claim it. The reform would therefore apply strongly to them.

Nevertheless, the pension scheme for university professors already underwent a very important reform in 2011, which they did not collectively opposed in order to take part in the joint effort. But the cumulative effect of the 2011 and current reforms will have far greater consequences for them than for all other professions in the public sector, especially for young academics. Apart from the fact that this does not seem fair, the project penalizes universities and, more broadly, the community.

A reform that standardizes the method of calculating public service pensions may seem fair a priori. However, it ignores the peculiarities of an academic career that often only starts when one is 35/40 years old, after a period of precarious contracts. This late entry into the career is what justifies the current pension scheme for university professors. Indeed, it takes a decade of higher education to get a doctorate, which required for an academic position.

But, this is only a first step. Before hiring a young researcher, universities demand a growing number of postdoctoral research contracts, if possible abroad, typically fragile and regularly without pension contributions. The doctoral period is therefore followed by a sequence of precarious contracts, after which only a chosen-few will be able to access a tenured position, sometimes only when they are about forty and after an increasingly selective tenure-track.

In the pre-2011 system, an appointment at this age was consistent with a full university professor's pension when the retirement age was set at 65 (as opposed to 67 from 2030). In the system at work since 2011, getting tenure at 29-year appointment may be required to achieve a full career. The reform project will make it impossible, because it would require to be tenured at 22 (apart from the possibility to buy back a limited number of years of study, which was automatic until recently).

In a knowledge-based society, the prosperity of a country like Belgium crucially depends on its human capital. Our country will only be able to meet the technological and societal challenges that it faces if its universities maintain their research and teaching potential. Universities have a major societal mission, be it in the training of young people, in the development of innovations, or in the service to society. They must therefore attract and stabilize the best teachers and researchers. In light of the structural underfunding of higher education (particularly universities) and research in Belgium, we realize that achieving these objectives is a challenge.

However, the attractiveness of the conditions offered to academics in both Flemish and French-speaking universities has already deteriorated on several levels. The quality of research and teaching conditions has deteriorated (increase in the number of student without budgetary compensation, administrative complexification due to the individualisation of student paths).

At the same time, academics are exposed to a stronger international competition than any other profession in the public sector: competition between universities (rankings, accreditations, auditing, etc.), competition for research (for European funds, patents, the best researchers, and grants), competition in teaching (attracting students, pedagogical innovations, etc.).

However, the wages and funding that Belgium offers its scientists are notoriously inferior to those offered by many foreign countries, including all its neighbours, not to mention the United States or Switzerland. In some areas, competition from the private sector is added to that of foreign universities. For example, wages offered in the pharmacy, engineering or medical sectors, are regularly 30 to 50 percent higher, for similar work environments and better research-funding opportunities.

How can Belgian universities motivate young researchers to start a scientific career if their talent allows them to be valued considerably better in a foreign university or outside academia? And what about the brains that Belgian universities want to bring back or attract from abroad? It's a safe bet that they will stay where they are. As it stands, the pension reform will weaken Belgian universities as a whole because it will further deteriorate the attractiveness of academic careers and undermine the quality of faculty recruitment.

We therefore express our deepest concern about the sustainability of the reform project for Belgian universities and invite decision-makers to take it into account if they want to maintain the quality of our universities.



Arme universiteit compte sur vous aujourd'hui

Arme universiteit BELGIUM a besoin de votre aide pour sa pétition “Daniel Bacquelaine: Pensioenhervorming bedreiging voor universiteiten Réforme des pensions: attention aux unif”. Rejoignez Arme universiteit et 9 694 signataires.