Petition Closed

Herzie de wetsvoorstellen betreffende de sociale zekerheid voor kunstenaars! /Révisez le projet de loi concernant la sécurité sociale des artistes!/Review the new bill on social security for artists!

This petition had 698 supporters


Door de nieuwe wetsvoorstellen dreigen de werkomstandigheden voor kunstenaars er op achteruit te gaan.

Wij hebben het wetsvoorstel gelezen rond de sociale zekerheid voor kunstenaars die als werknemer te werk gaan en ook de aanpassingen van de hiermee verbonden werkloosheidsreglementering. In de eerste plaats juichen wij een aantal aanpassingen toe. De voorbije jaren bestond verwarring bij de RVA door een slechte afstemming tussen de wetten van de sociale zekerheid en de werkloosheid en tegenstrijdigheden in een aantal specifieke wetsartikels met betrekking tot de werkloosheid. Veel kunstenaars zijn dan ook vragende partij om deze tegenstrijdigheden binnen de wetgeving op te heffen. De regering doet voor haar aanpassingen aan de wetgeving vooral beroep op het advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR) van 17 juli 2012. Dat advies roept op tot een afstemming tussen de wetten van de sociale zekerheid en de werkloosheid. Tot zover gaan wij akkoord. Met dit schrijven willen wij jullie aandacht vestigen op onze bedenkingen rond twee concrete aanpassingen in het wetsvoorstel betreffende de sociale zekerheid en één aanpassing in het wetsvoorstel betreffende de werkloosheid.

1. Het advies van de NAR stelt dat er misbruik zou bestaan en wil hiervoor een aanpassing doorvoeren van het artikel 1bis. Dat artikel stelt op dit moment dat alle kunstenaars, die in opdracht en tegen betaling artistieke prestaties leveren, zonder een band van ondergeschiktheid aan een werkgever en zonder een arbeidscontract, ook moeten kunnen genieten van de bescherming van de sociale zekerheid voor werknemers. Volgens de Raad zouden vele kunstenaars een beroep doen op het uitoefenen van artistieke prestaties volgens artikel 1bis, zonder dat er een opdrachtgever zou bestaan en dat zou een probleem zijn. Wij zijn echter van mening dat het onterecht is om hier van een misbruik te spreken. Vele kunstactiviteiten zijn prestaties in opdracht en van korte duur, zonder ondergeschiktheid aan een werkgever en zonder opgemaakt arbeidscontract. Om deze redenen kregen kunstenaars in het verleden geen toegang tot de sociale zekerheid. Kunstenaars die zich het zelfstandige statuut niet konden veroorloven, waren genoodzaakt in het “zwart” te werken. Pas in 1969 werden de podiumkunsten opgenomen in de wetgeving rond de sociale zekerheid van de werknemers en de overige kunsten pas in 2003. Dat steeds meer kunstenaars hun activiteiten aangeven via artikel 1 bis kan in de eerste plaats een succes worden genoemd. Wij maken ons zorgen, omdat het wetsvoorstel inzake artikel 1bis de opdrachtgever voortaan gelijk zal stellen aan een werkgever. Meestal zijn opdrachtgevers niet eenduidig. Een kunstenaar krijgt bijvoorbeeld de opdracht van een andere kunstenaar om deel te nemen aan een performance, die in opdracht gebeurt van een tentoonstellingsorganisator, die een opdracht uitvoert voor een cultureel centrum, dat een opdracht ontving van een stadsfestival. Wie is hier dan de werkgever? De meeste opdrachtgevers kunnen zich niet de hele administratie als werkgever op de hals halen, om iemand voor een paar uur aan het werk te stellen. De voorgestelde aanpassing riskeert daarom ook de zin van artikel 1 bis onderuit te halen. Wij stellen voor om de huidige regeling te behouden, waarbij degene die betaalt ook de opdrachtgever wordt.

2. Om verder “misbruik” te voorkomen, raadt hetzelfde advies van de NAR ook de invoering van een “kunstenaarsvisum” aan, gekoppeld aan artikel 1 bis. Het onderzoek dat eind jaren 1990 werd verricht door een platform van kunstenaars en juristen rond artikel 1 bis, blijft evenwel actueel. Zij hebben toen na overleg met de wetgevers de bewuste keuze gemaakt voor een mutuele solidariteit en om kunstenaars mee op te nemen in de bestaande algemene sociale zekerheid van de werknemers, en niet om een aparte solidariteitskas op te richten exclusief voor kunstenaars. In die optiek werd het voorstel van een “beroepskaart” tijdens de onderhandelingen eind jaren 1990 verworpen. Ze kozen ervoor een ruim begrip van "artistieke activiteiten" in de wetgeving voor sociale zekerheid op te nemen. Het begrippenkader van de huidige wet gaat uit van een niet-exhaustieve lijst: “creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie". Het voorstel om een “kunstenaarsvisum” voor artikel 1 bis in te voeren, zal de kunstenaars af zonderen als een aparte groep binnen het socialezekerheidsstelsel. Ook de bewijslast wordt in het wetsvoorstel nu bij de kunstenaar gelegd. Maar hoe beslissen we dat deze kunsten wel en deze kunsten niet kunnen? Wat bijvoorbeeld met multimediale, interdisciplinaire, sociaal-artistieke of andere cross-over-praktijken? Hoe wordt een artistieke van een niet-artistieke bijdrage onderscheiden binnen eenzelfde creatieproces? Maakt een meer ondersteunende rol in een creatieproces, zoals bijvoorbeeld die van een dramaturg, een tentoonstellingsmaker, en zo voorts, deel uit van de kunsten? Welke activiteit valt binnen “werk” en welke niet? Dat zijn allemaal vragen die zeer moeilijk te beantwoorden zijn vanuit het standpunt van de kunstpraktijken. Een te enge definitie van kunstactiviteiten zal verwarring stichten. Het is onmogelijk om een duidelijke lijn te trekken voor de grote verscheidenheid aan enkelvoudige kunstpraktijken. Daarom lijkt ons een bewijslast over de activiteiten van een kunstenaar een onmogelijke taak. Tegelijk zal hierdoor ook de uitvoering van de controlerende rol op het verlenen van visa voor de toegang tot artikel 1 bis, die het wetsvoorstel nu aan de reeds bestaande advies Commissie kunstenaars toeschrijft, moeilijk uitvoerbaar zijn. De invoering van een “kunstenaarsvisum” zal een ontmoedigend effect hebben voor artikel 1 bis. Wordt de kunstenaar dan eerder aangemoedigd om in de toekomst te werken met contracten van artistiek uitzendwerk via SBKs? Deze arbeidscontracten veronderstellen echter dat er wel een band van ondergeschiktheid bestaat tussen kunstenaar en werkgever. Dit zou de autonomie van sommige kunstenaars in het gedrang kunnen brengen.

3. Een sociaal zekerheidsstelsel zou zichzelf in stand moeten houden. Misbruik zou zo goed als uitgesloten moeten zijn, want enkel zij die bijdragen leveren, kunnen, eens in moeilijkheden, ook terugvallen op de solidariteit van de sociale zekerheid. Momenteel kunnen echter enkel kunstenaars die voldoende bijdragen hebben betaald aan het sociale zekerheidsstelsel, ten volle een beroep doen op deze solidariteit. Men vergeet soms dat de solidariteit tussen de verschillende werknemers één is waaraan de kunstenaars zelf ook bijdragen. Het barema in de werkloosheidswetgeving voor kunstenaars bijvoorbeeld, wordt nu berekend op basis van de accumulatie van een totaal bedrag dat overeenstemt met het minimuminkomen van 312 werkdagen. Deze cachet-regel hanteert specifieke berekeningsformules voor het behalen van het recht op werkloosheidsuitkeringen die ook bestaan voor de prestaties van houthakkers en huisarbeiders. De barema ervan liggen nu relatief hoog, maar worden nog verhoogd in het nieuwe wetsvoorstel. Een groot aantal kunstenaars draagt bovendien bij aan de sociale zekerheid zonder het barema te halen van de solidariteit van de werkloosheid. Met sommige parameters wordt nu geen rekening gehouden bij het opstellen van dit barema. Bijvoorbeeld, in de kunsten zijn ook veel vaste werknemers aan de slag. De Commissie kunstenaars zou de bestaande berekeningsformules kunnen evalueren zodat de sociale zekerheid voor kunstenaars wordt geoptimaliseerd. Ze zouden in navolging hiervan ook kunnen bemiddelen opdat zoveel mogelijk kunstenaars in de solidariteit van de sociale zekerheid kunnen worden opgenomen zonder dat dit het socialezekerheidsstelsel in gevaar brengt. De verhoging van het barema in het wetsvoorstel van de werkloosheid riskeert in de toekomst dan ook zwart werk te stimuleren.

De politieke wereld vraagt nu aan de kunstwereld om te bepalen wie er voortaan wel en wie niet tot de kunsten behoort. We weigeren om op een vraag in te gaan die kunstpraktijken wil reduceren en stellen daarom voor om het veronderstelde misbruik binnen het geheel van de tijdelijke werknemers te bekijken. Wij zijn ervan overtuigd dat een mogelijk misbruik van artikel 1 bis voor kunstenaars te maken heeft met een discriminatie tussen de tijdelijke werknemers. De huidige werkomstandigheden evolueren op zo'n manier, dat steeds meer werknemers verplicht worden om prestaties van korte duur te verrichten, niet langer een duidelijke werkgever hebben of zonder arbeidscontracten aan de slag gaan. De praktijk van wetenschappelijke onderzoekers, thuisverzorgers, lesgevers, enz… is heel anders dan die van kunstenaars, maar hun arbeidsomstandigheden zijn vaak vergelijkbaar. Het lijkt ons daarom zinvoller om te pleiten voor de uitbreiding van de sociale zekerheid naar alle werknemers die in gelijkaardige werkomstandigheden als de kunstenaars aan de slag gaan. Iets vergelijkbaar met artikel 1 bis voor kunstenaars in het recht voor sociale zekerheid zou hiervoor in de toekomst in het arbeidsrecht kunnen worden opgenomen. Dit zou tegelijk het door de NAR vermeende misbruik kunnen oplossen.
 

La nouvelle réforme menace de détériorer les conditions de travail des artistes

Nous avons lu le projet de réforme qui porte sur la sécurité sociale et le droit au chômage des artistes travaillant comme employés. Tout d'abord, nous accueillons avec satisfaction un certain nombre d’ajustements. Dans le passé, du fait d' une mauvaise harmonisation entre les lois sur la sécurité sociale et celles sur le chômage, l’ONEM avait créé la confusion, en particulier dans sa lecture de certains articles de loi relatifs au chômage. Beaucoup d’artistes sont donc favorables à l’idée d’éliminer ces contradictions. Pour l’adaptation de la loi qui est proposée, le gouvernement se réfère à l’avis du Conseil National du Travail (CNT) daté du 17 Juillet 2012. Cet avis appelle à la cohérence entre les lois régulant la sécurité sociale et celles régulant le chômage. Jusque-là, nous sommes d’accord. Néanmoins, à travers cette lettre, nous désirons vous faire part de nos objections à deux ajustements de la loi concernant la sécurité sociale et à un ajustement concernant le chômage.


1. L’avis du CNT suppose qu’il y a eu de l’abus et propose une adaptation de l’article 1bis de la loi sur la sécurité sociale. Pour l’instant, cet article de loi affirme que tous les artistes qui sont commandités et payés pour leur travail artistique sont sujets à la protection de la sécurité sociale pour les employés. Et ce, bien qu’ils ne soient pas subordonnés à un employeur et qu’il n’y ait pas de contrat de travail liant les deux parties. Selon le CNT, beaucoup d’artistes ont recours à l’article 1bis pour déclarer leur travail artistique bien qu’ils n’aient pas de commanditaire, et ce serait là un problème. Nous pensons que ce n’est pas une raison suffisante pour postuler qu’il y ait abus. Beaucoup d’activités artistiques sont des activités de court-terme et commanditées, sans qu’il y ait de relation subordonnée à un employeur ou de contrat de travail. C’est précisément pour cette raison que les artistes ne pouvaient pas obtenir l’accès à la sécurité sociale dans le passé. Les artistes qui n’avaient pas assez de revenus  pour devenir indépendants étaient obligés de travailler sans être déclarés. Ce n’est qu’à partir de 1969 que les arts de la scène furent inclus dans la législation régulant la sécurité sociale des employés ; à partir de 2003 seulement pour les autres disciplines artistique. Depuis lors, de plus en plus d’artistes ont déclaré leurs activités sous l’article 1bis, ce que nous devons considérer cela comme un succès. Nous nous inquiétons parce qu’en remaniant l’article 1bis, la réforme assimile le commissionnaire au statut d’employeur. Pourtant, le travail artistique est tel que souvent quelqu’un ne peut désigner sans ambiguïté l’employeur. Prenons, par exemple, le cas courant d'un artiste invitant un autre artiste à participer à une performance commanditée par  un programmateur-commissaire travaillant pour le compte d'un centre culturel, lui-même participant à un festival déroualntà l'échelle d'une ville.  Qui va assumer le rôle d’employeur? La plupart des commanditaires hésitent à prendre en charge toute l’administration qu'impliquée le statut d’employeur, spécialement lorsqu’il s’agit de déclarer un contrat de quelques heures. Le remaniement proposé par la réforme risque de saper la fonction même de l’article 1bis. C’est pourquoi nous proposons de s’en tenir à la régulation actuelle qui énonce que celui qui paie est celui qui est tenu comme le commanditaire aux yeux de la loi.


2. Afin de mettre un terme à de futurs “abus”, le CNT propose de mettre en place un « visa artiste » pour les artistes qui ont recours à l’article 1bis.  Pour rappel, de nombreuses années de recherche menée par une plateforme d’artistes et de juristes avaient précédé la mise en place de l’article 1bis dans la loi sur la sécurité sociale de 2003. Nous pensons que leur raisonnement est toujours bien d’actualité. Après de nombreuses consultations avec le législateur, un choix avait été alors fait en faveur d’une solidarité mutuelle par laquelle les artistes étaient inclus dans le système existant de la sécurité sociale pour les employés, plutôt que de créer une caisse de solidarité distincte, exclusivement pour les artistes. A la fin des années nonante, la plateforme a donc découragé la mise en place d’une “carte de professionnels” et cette idée s’est effectivement trouvée rejetée lors des négociations. Grâce à leur raisonnement, la loi sur la sécurité sociale se réfère au concept élargi d’ « activités artistiques ». La loi postule ainsi une liste non-exclusive de pratiques : « création et interprétation d’œuvres artistiques, notamment dans le domaine des arts plastiques et arts audio-visuels, de la musique, de la littérature, des arts vivants, de la scénographie et de la chorégraphie ». La proposition actuelle d’introduire un “visa artiste” isolera les artistes en en faisant un groupe distinct au sein du système de sécurité sociale. De plus, ce serait la responsabilité des artistes eux-mêmes de prouver que leur recours à l’article 1bis est légitime. Mais comment décider quelles sont les formes artistiques permises et celles qui ne le sont pas? Que faire des pratiques multimédias, interdisciplinaires, socio-artistiques et nombreuses autres hybridations?  Comment établir la différence entre une contribution qui serait artistique et une qui ne le serait pas au sein d’un même processus de création? Où situer les fonctions d’assistance et de soutien, comme la dramaturgie, le commissariat d'exposition, etc? Quelles activités entrent dans la catégorie du “travail artistique” et quelles activités en sont exclues? Il est extrêmement difficile de répondre à ces questions étant donné les multiples nuances et singularités des pratiques artistiques. Une interprétation simpliste des pratiques artistiques ne génèrera que davantage de confusion. Il est impossible de tracer une ligne claire dans la diversité des pratiques artistiques particulièrement singulières. La réforme octroie une nouvelle fonction à la Commission Artiste existante, celle de contrôler les activités des artistes qui ont demandé le “visa artiste” pour accéder à l’article 1bis. Nous craignons que la tâche de prouver et contrôler les activités d’un artiste soit impossible. L’introduction d’un visa va seulement décourager l’usage de l'article1bis par les artistes. Devrions-nous en déduire que le recours aux contrats artistiques intérim via les Bureaux Sociaux pour Artistes (BSA) sera dorénavant encouragé au détriment du travail via l’article 1bis? Pourtant, de tels contrats impliquent une relation de subordination entre artiste et employeur,  relation souvent inexistante et qui, dans certains cas, pourrait menacer l’autonomie des artistes.

3. Un système de sécurité sociale devrait être auto-suffisant. Puisque seuls les travailleurs qui y contribuent peuvent aussi- en cas de besoin- profiter de la solidarité du système. A l'instar des artistes: seuls ceux qui ont payés des contributions suffisantes ont un plein accès à la sécurité sociale. On oublie souvent que la solidarité entre tous les employés est également le système auquel les artistes contribuent. Par exemple, l’accès au chômage pour les artistes est calculé selon le barème d’un montant total de revenus atteignant l’équivalent du revenu de base de 312 jours de travail. En d’autres termes, il y a des critères spécifiques pour réguler l’accès des artistes au droit au chômage. C’est ce que l’on appelle la “règle du cachet”, qui est similaire aux régulations relatives à d’autres prestations, comme les travailleurs saisonniers ou les employés de maison. Bien que pour beaucoup d’artistes le barème actuel soit difficile à atteindre, la réforme propose de rétrécir encore la voie d’accès à la pleine sécurité sociale. De nombreux paramètres ne sont pas pris en compte. Par exemple, dans les Arts, il y a également de très nombreux emplois à temps plein. Nous préférerions de beaucoup que la Commission Artiste, plutôt que de contrôler, évalue et optimise les régulations existantes qui donnent accès au droit au chômage. De plus, cette Commission pourrait encourager la participation des artistes au système de sécurité sociale. Si au contraire, l’accès en est réduit, il nous semble que le résultat sera néfaste : les artistes seront poussés à ne plus déclarer leur travail.

Le monde politique demande au monde de l’art de déterminer qui appartient et qui n’appartient pas au champ de l’art. Nous voulons éviter de répondre à une question qui tend à réduire la multiplicité des pratiques artistiques. Nous proposons plutôt de reconsidérer les supposés abus en observant l'ensemble du travail intermittent. Nous sommes convaincus que le recours abusif à l’article 1bis dans la loi sur la sécurité sociale est lié à un problème plus large de discrimination des travailleurs intermittents. Les conditions de travail actuelles évoluent de telle sorte que de plus en plus d’employés se retrouvent à travailler avec des contrats courts, sans employeur clairement identifiable, ou sans avoir de contrat de travail. Les pratiques des scientifiques, du personnel de soins à domicile, des enseignants, etc. sont très différentes de celles des artistes, pourtant les conditions de travail sont comparable. Il nous semble plus conséquent de plaider pour un élargissement du système de sécurité sociale à tous les employés qui travaillent dans des conditions comparables à celles des artistes. Nous pourrions ainsi
traduire l'article 1bis de la loi sur la sécurité sociale dans la loi sur le travail, ce qui constituerait une autre approche  pour résoudre l’abus supposé par le CNT.


The new bill is threatening to deteriorate the working conditions for artists.

We have read the bill on social security for artists who work as employees and the adjustments to the related regulations to do with unemployment. First of all, we welcome a number of the adjustments. RVA/ONEM has generated confusion in the past because of discrepancies between the laws of social security and unemployment, as well as inconsistencies in a number of specific sections related to unemployment. Many artists are in favor of eliminating these contradictions. For the proposed legal adjustments, the government relies on the advice of the Nationale Arbeidsraad / Conseil National du Travail (NAR/CNT) dated July 17, 2012. This advice calls for a coherence between the laws regulating social security and unemployment. Thus far we agree. However, we object to two adjustments in the law concerning social security, and to one concerning unemployment.

1. The advice of the NAR/CNT presumes that there has been abuse and proposes an adaptation of Section 1bis in the law of social security. Currently this section in the law states that all artists who are commissioned and paid for their artistic output are subject to the protection of social security for employees, although they are not subordinated to an employer and without there being a labour contract between both parties. The NAR/CNT now assumes that many artists incorrectly use Section 1bis to declare their artistic work, whether or not there is in fact a commissioner for their artistic work. We believe that this is not a sufficient reason to postulate abuse. Many artistic activities are short-term and commissioned, without the existence of a subordinate relation to an employer or a labour contract. It is for exactly these reasons that artists could not gain access to social security in the past. Artists who didn’t make enough income to become self-employed, were compelled to work undeclared. Only from 1969 on were the performing arts included in the legislation regulating social security for employees; the other arts only from 2003 on. Since then, more and more artists have declared their activities through Section 1bis, and we ought to consider thisa success. We feel concerned because the bill revises Section 1bis, and would now equate the commissioner to an employer. However, artistic work is such that often one cannot appoint an unambiguous employer. For example, an artist invites another artist to participate in a performance, though it is a curator who commissioned the work. He or she is in turn employed by an art venue, yet at the end of the day it is the city festival who put the program together. Who will assume the role of employer? Most commissioners feel reluctant to take care of all social administration implied by them becoming an employer. The proposed revision of Section 1bis risks undermining its very function. Therefor, we propose to hold on to the current regulation which states that the one who pays the fee is for the ourposes of the law to be regarded as the commissioner.

2. To stop future “abuse”, the NAR/CNT proposes to implement an “artist visa”, for artists who make use of Section 1bis. Many years of research by a platform consisting of artists and lawyers preceded the implementation of Section 1bis in the law of social security in 2003. We believe their reasoning is still up-to-date. After much consultation with legislators a choice was made against a separate system of social security exclusively for artists, in favor of a system of mutual solidarity, where artists are included in the existing system of a general social security for employees. At the end of the nineties the platform therefore discouraged the implementation of a “card for professionals” and it was finally rejected during the negotiations. Thanks to their reasoning, the law on social security makes use of a broad concept of “artistic activities”. The law postulates a non-exclusive list of practices: ‘creating and performing artistic work, among which audio-visual and fine art, music, literature, performing arts, scenography and choreography’. The current proposal to introduce an “artist visa” will isolate artists apart from the general system of social security. In addition, it will be the responsibility of artists to prove their legal use of Section 1bis. But how to decide which art forms are permitted and which not? What is to be done with multimedia, interdisciplinary, social-artistic and other cross-over-practices? How to differentiate an artistic from a non-artistic contribution within one and the same creation process? Where to position assisting or supporting functions, such as dramaturgy, curating, etc? Which activities are part of ‘artistic work’ and which not? It is extremely difficult to answer these questions given the manifold nuances and singularities of artistic practices. An oversimplified interpretation of artistic practices will only generate more confusion. It is impossible to draw a clear line in the diversity of very singular artistic practices. The bill allocates a new function to the existing Commision Artist, namely to control the activities of artists who have applied for the “artist visa” in order to get access to Section 1bis. We fear it is an impossible task to prove and control the activities of an artist. The introduction of a visa will only discourage the use of Section 1bis by artists. Should we understand that the use of artistic interim contracts via SBK/BSA is now promoted instead of working via Section 1bis? But these contracts presume a subordinate relation between artist and employer, which is often not there and in some cases threatens the autonomy of artists.

3. Ideally a social security system should be self-sustaining. Abuse should be impossible, because only those who make contributions can - when in need - also rely on the solidarity it provides. Likewise for artists: only those who have paid sufficient contributions have full access to its solidarity. It is often forgotten that artists first contribute to our social security system. For example the entry to unemployment money is calculated in cumulative way to coincide with a sum that is the equivalent of a basic income of 312 working days. In other words, there are specific measurements to regulate artists’ access to welfare. This is called “cachet-rule” and is similar to regulations for other professions such as forestry or household workers. Even though for many artists the current measures are too strict and difficult to attain, the bill proposes a further tightening of the entrance gate to full social security. Many parameters are not taken into account, such as the fact the arts also include a lot of full-time employment. We would much prefer that the Commission Artist, rather than controlling, evaluates and optimizes the existing regulations that give access to unemployment. In addition, this Commission could stimulate the participation of artists in the system of social security. It is our intuition that if instead the gateways are tightened, the result would be that artists no longer declare their work.

The political world is asking the art world to determine who does and who does not belong to the field of arts. We refuse to respond to a question which tends to reduce art practices. We rather reconsider the alleged abuse of regulations within the framework of temporary employment. We are convinced that the so-called abuse of Section 1bis in the law of social security is to do with a problem of discrimination between temporary workers. Current working conditions evolve in such a way that more and more employees find themselves working with short-term contracts, without an easy identifiable employer, or without a labour contract at all. The practices of scientists, domestic caretakers, teachers, etc... are very different than those of artists, yet they sometimes share similar working conditions. Wouldn’t it make more sense to extend the system of social security to all employees who work in similar working conditions? Section 1bis of the law of social security could be translated towards the labour law. This could be another approach to respond to the alleged abuse the NAR/CNT has ascertained.

 



Today: Kobe is counting on you

Kobe Matthys needs your help with “Herzie de wetsvoorstellen betreffende de sociale zekerheid voor kunstenaars! / Révisez le projet de loi concernant la sécurité sociale des artistes! / Review the new bill on social security for artists!”. Join Kobe and 697 supporters today.